|
|
|
066 Eindeloze reis
Het scheelde maar heel weinig of Emile had de laatste trein naar huis gemist. Tot zijn verbazing bleek hij de enige passagier te zijn. Hij ging zitten op een bank en hij reed achteruit. Dat was al jaren zijn voorkeur. Hij vouwde zijn meegebrachte krant open maar het nieuws boeide hem niet. Hij borg zijn krant weer op. Omdat het natuurlijk buiten donker was viel er door het raam weinig te zien. Emile ondernam een poging om een dutje te doen. Hij schoof zijn hoed over zijn ogen en ging enigszins onderuit zitten. Of hij daadwerkelijk in slaap was gevallen wist hij niet. De trein reed maar door en buiten viel nog steeds weinig te zien. Emile had geen idee hoelang hij al in deze trein zat maar het moesten zeker enkele uren zijn. Volgens zijn altijd betrouwbare horloge was het half een. Vreemd, zo lang duurde de reis toch niet? Een lichte paniek maakte zich van hem meester. Maar dit moest hij rationeel benaderen. Mogelijk was hij in een verkeerde trein gestapt. Echter, dit kon hij logischerwijs uitsluiten. Ineens kwam de trein tot stilstand. Het bordje met de naam van het station was niet leesbaar. Er stond niemand op het perron. De trein zette zich weer in beweging. In slaap vallen lukte Emile niet meer. Paniek is in geen enkele situatie wenselijk. Nog steeds was Emile de enige passagier. Hij keek weer op zijn horloge. Het was twee uur 's nachts. Hij werd toch enigszins ongerust. Wanneer kwam deze trein bij zijn eindbestemming aan? Ook dat was twijfelachtig. Langzaamaan begon hij zich te realiseren dat hij nooit op zijn bestemming aan zou komen. Er kwam ineens een idee bij hem op, een daad die hij zijn hele leven al had willen doen: aan de noodrem trekken. Met een ferme ruk aan de rem kwam de trein piepend tot stilstand. Emile was in afwachting van de verdere ontwikkelingen. Maar er gebeurde totaal niets. Er kwam niemand, zelfs geen conducteur. Het was zonneklaar voor Emile, deze trein zou zijn eindbestemming nooit bereiken. Emile had er spijt van dat hij de trein tot stilstand gebracht had. Dat was achteraf toch niet zo'n goed idee. Zonder enige waarschuwing begon de trein plotseling weer te rijden. Het benauwde hem dat hij de enige passagier was. Niemand om zijn ongerustheid mee te delen. Intussen was het vier uur 's ochtends. Behalve zijn ongerustheid begon hij dorst en trek te krijgen. Maar hij had niets te eten en te drinken bij zich. Het monotone geluid van de rijdende trein gaf hem toch enige zekerheid. Maar wat voor zekerheid had hij? Waarom kwam er maar geen conducteur? Het was vijf uur en buiten begon het heel voorzichtig wat lichter te worden. Het was Emile volkomen duidelijk; deze reis was eindeloos. Maar weer proberen te slapen? Hij kreeg een ingeving; Emile bonsde hard op de deur die het compartiment van de machinist scheidde van de rest van de trein. Tot zijn verbazing ging de deur moeiteloos open. Zijn adem stokte in zijn keel. Hier was niemand, zelfs geen machinist. Hij hoopte heimelijk dat hij opeens wakker zou worden en dat alles maar een droom bleek te zijn. Maar het was realiteit en de trein vervolgde de eindeloze reis. Emile besefte dat verzet hiertegen zinloos was. Daarom berustte hij erin. Emile had werkelijk geen flauw idee wat hem te wachten stond.
© Frank Faber 2 april 2026